Zo, wij zijn dus in Albanië. Een van de armste landen, of waarschijnlijk: het armste land van Europa. Onze reis zijn we begonnen in de hoofdstad Tirana.

We merken al meteen cultuurverschillen. Het verkeer is een hel, een grote chaos. Waar wij in Nederland strenge regels hebben, is er hier maar één gedachte. Om voorrang te krijgen moet je voorrang nemen. Mensen die elkaar in gaan halen in files, mensen die fietsen en lopen op de snelweg en de taxichauffeur die doodleuk zit te bellen achter het stuur. Het verbaast mij dan ook niks dat we meerdere malen een kruisje of beeldje met bloemen naast de weg voorbij zien komen. Mensen rijden hier nou eenmaal als gekken en de wegen zijn ook niet altijd goed genoeg om comfortabel op je plek te blijven zitten. Naast dit verschil is er nog een communicatieprobleem. Als we namelijk in de bus een ticket kopen schudt de verkoper ontevreden met zijn hoofd. Maar wij doen toch niks verkeerd? We hebben jou gewoon betaald! Wanneer op de terugweg hetzelfde probleem zich voorvalt, krijgen we het door. Schudden is knikken en knikken is schudden in Albanië.

Na een zes uur lange busreis komen we aan in Saranda, zonder overdrijven één van de mooiste plekjes die ik ooit heb gezien. Het is hier totaal niet toeristisch en we hebben vanuit ons appartement het beste uitzicht ooit. Na een dagje settelen, moeten we toch ook aan de slag voor school. We zijn nou eenmaal niet alleen op vakantie. Samen met onze contactpersonen Johan en Aneta gaan we op zoek naar geschikte bronnen voor onze producties. Inmiddels hebben we al een aantal interviews gehad. De rest doen we als we volgende week terug in Tirana zijn, eerst moet het weekend gevierd worden. We gaan langs de ´Blue Eye´, een waterbron in de bergen. Daarnaast eten we bij een traditioneel restaurantje midden in de bergen. Alles wat je voorgeschoteld krijgt, is gemaakt van zelfgeproduceerd eten. Zo krijgen we onder andere feta, salade, lamsvlees en quiches op tafel. Heel bijzonder, erg lekker en met het mooiste uitzicht ooit.

Wat nog meer opvalt is de gastvrijheid van de Albanezen. Ze willen je maar al te graag helpen. Vaak is dat nog wel even wennen: als we de bus naar Saranda willen nemen, komt er een groep mannen op ons af. “Where do you need to go? Saranda? Saranda?? Go this way, come with me!” Onzeker druppelen wij er een beetje achteraan. In Nederland zou je schrikken als zoveel mensen op je af komen om te helpen, maar hier in Albanië is dat heel normaal. Ook bij ons contactpersoon Aneta is de gastvrijheid te merken. Ze sleept ons overal mee naartoe. Naar haar oude peuterschool, haar vriendin van vroeger, het huis waar ze is opgegroeid, noem maar op. Na een week staan wij nog steeds versteld van de hoeveelheid liefde die wij van deze mensen krijgen.

De omgeving kan dan wel adembenemend zijn, maar niet alles is zo mooi als het lijkt. De arme kant van Albanië zien we ook zeker voorbij komen. Enorm veel gebouwen waarvan alleen de muren rechtop staan en voor de rest is het bouwen gestaakt. Het blijkt dat veel bewoners ergens aan beginnen, maar vaak niet het geld hebben om het af te maken. Als wij lekker een cocktailtje op het terras zitten te drinken, komen er af en toe zwerfkindjes langs om geld van ons te vragen. Aan het modder op hun gezicht, de vieze kleding en de niet uitgekamde haren is te zien dat ze op straat leven. En niet te vergeten, de zwerfhonden, die ik het liefst allemaal mee naar huis zou nemen.

Ik weet dondersgoed dat dit cliché gaat klinken maar ik zeg het toch. Dit is een reis die wij nooit meer zullen vergeten.